zaterdag 28 augustus 2010

afscheid, congé

Dat was het dan. Hier laat ik je achter. Daar waar ik heb geleefd, gegeten, gedronken, geslapen, genoten, gelachen en gehuild. Ik reed er in een auto zonder dak, zag het landschap dat niet alleen bestond in mijn dromen. Deed er inspiratie op en kreeg honger naar meer. De zon die mijn huid verbrandde, die mijn hoofd soms geen verkoeling bood, me alleen maar gekker maakte van een man die in een ander land vertoefde dan waar ik zelf zat en genoot. Ik ben tot mezelf gekomen hier en heb mezelf ook volledig terug verloren. Dus het is tijd om naar huis te gaan. Ik vraag me af waar mijn huis is. Een huis is waar je hart is, hoorde ik ooit een keer. Of is dat een volkswijsheid die we allen meedragen, op zoek naar meer?
Ik keer nu terug naar de realiteit. Die is hard en verlaten. De realiteit waar andermans dromen mij rond de oren vlogen vroeger, elke dag. Een realiteit, die ik zo graag ontvlucht.

Ik was zo graag alleen.
Ik was zo graag alleen,
samen met jou.
Ik was zo graag samen met jou
hier geweest.
Ik was zo graag geweest,
eens
samen
met jou.

Hoe het komt dat mijn hart bloedt, ik weet het niet. Misschien is dat wel omdat je de mijne niet bent, of omdat je de mijne niet meer bent.
Ik neem hier afscheid, van al wie me dierbaar was. Ik leef mijn dromen niet meer na. De realiteit lonkt. Die, waarin ik je in de ogen zal kijken, je handelingen zal zien. Die, waarin jij je koffie zwart drinkt. Die, waarin jij je sigaar rookt. Die, waarin je stem een gezicht krijgt. Die, waarin ik hoop te zien, wat me niet een schijnrealiteit is geleken de afgelopen weken. Die, waarin ik mijn dromen probeer na te leven, opdat mijn dromen werkelijkheid worden. Jij, die me zegt dat ik niet weet wat ik wil. Ik denk dat ik heel goed weet, wat ik wil.
Ik ben niet meer zoekende. Ik heb het al allemaal beleefd, als dromer, als schrijver, als dichter.
Zwijgend en in slilte leerde ik je kennen. In de stilte liggen woorden verscholen. Woorden met een ongelofelijke kracht. Mijn verhalen deden je duizelen, jouw stem deed me zwijmelen. Ik had het zo graag anders gehad. Misschien laat ik wel een traan, omdat ik hier weg moet. Ook al moet ik niks. Ik moet terug naar de realiteit, daar waar schrijvers moeten gaan werken, opdat ze eten en drinken kunnen kopen, opdat ze kunnen realiseren wat jij zo graag had. De vlinder in me is aan het sterven. Iedere dag stierf ik wel een keer. Ik vloog zover, ik zag zo veel, ik was er de hele tijd, daar waar jij mijn woorden las.
Maar daar waar ik terug heen moet, vertelt niemand me de juiste woorden. Het is een verlaten plek, een plek waar ik talloze jaren alleen rondzwierf. Het is een plek die vele gezichten kent. Het is een plek, waar ik mijn angsten in de ogen moet durven kijken. Een plek, die me geen houvast bood, een plek die vol zit van vergeten gedachten. Daar waar menigeen me vasthield en me weer achterliet, alleen met mijn verlangen. Een plek vol verlangen naar meer. Maar er is niet veel meer, daar, voor me. Alleen jij, jij bent de enige goeie reden om nog eens terug te keren. Dus zuchtend pak ik mijn koffers en laat ik je achter, mijn lief. Ik ga op zoek naar nieuwe plekken om te schrijven, zoals het een ware hedonist belieft.

woensdag 25 augustus 2010

Voor de onbestemmelingen

Dwalend loopt hij door de straten,
de stenen pleinen zijn verlaten.
De heimelijke bomen rusten in dauwend gras.

De muren van de huizen zuchten,
sommigen slapen, anderen waren.
Krakende deuren, piepende ramen,
verscholen achter huizenpracht.

De oude daken, kleuren de hemel.
Geveterde schoenen zoeken zijn weg.
Witte hielen talmen en deinen verder,
op zoek naar waar hun droom
verscholen lag.

Zij zoekt naar t's en d's,
de juiste letters, woorden en zinnen.
Ze zoekt ze tussen scharnieren en scheuren,
in de friezen van vergeten gebouwen.
Zijn schoenen stappen verder.

Het tuurt naar hen die dralen.
Naar hen die schuilen
tegen koude en warmte.
's Nachts komen ze,
met zijn sterke handen,
met hun leunend lijf,
bescherming zoeken
in hun paradijs.

Ze verdwalen en verdrinken
in het gewoel van de stad.
Het monster van extreme geluiden,
ze horen enkel de stilte
die hen had samen gebracht.

De wind waait, de wolken drijven.
Zijn stem hangt in haar oor,
zij stroomt onder zijn huid,
terwijl hij een brug overloopt.

Onbestemd verlangen,
zoekend, dwalend, struint hij verder.
Zij fladdert, rust op zijn schouder,
fluistert in zijn oor.

Tussen onbestemmelingen,
zijn zij voorbestemd.
Toch, kennen zij nog niet de weg.

dinsdag 24 augustus 2010

Dromers

Ze houdt niet van mannen die spelletjes spelen. Ze ging uit eten met een kerel die gevlucht was van een slecht huwelijk en ze mocht alles betalen. Dat was zo fout van Kerel. Ze geeft er wel niet meer om, ze kijkt niet langer achterom, ook niet naar de fouten die ze zelf al maakte. Ze kijkt vol vertrouwen de toekomst tegemoet en zwemt in haar zee, waarbij hij het strand is. Samen zijn zij de golven.
Ze kent vrienden die anders geaard zijn dan zij. Ze heeft een vriendin die lesbisch is, een beste vriend die homo is. De Vriendin had een date en herbeleefde een avond waar iets in de lucht hing. Ze kusten elkaar en ze was in de zevende hemel. De volgende dag regelde vriendin een romantisch weekend. Zonder verder na te denken, bleek dat het romantische weekend dat ze had gepland in een maandelijkse terugkerende tijd viel waarbij de russen in het land neerstreken. Voor een lesbo ligt dat moeilijk. Vriendin smste naar haar date dat hun geplande liefdesnacht niet kon doorgaan. Maar haar date smste niet terug, de koffie was over haar mobieltje gevallen. Ook had Vriendin een druk leven, een propvolle agenda. Zuchtend smste Vriendin naar haar, dat er te veel obstakels waren.
Ze denkt na over obstakels, voor haar lijken er geen. Ze heeft al teveel obstakels omvergegooid, over gesprongen, gedraaid, een andere weg ingeslaan. Zij had maar één wens hoelang ze haar kon herinneren. De wens verliefd te worden op iemand waarbij ze volledig zichzelf kon verliezen en weer terug vinden. Iemand waarbij ze alle liefde voelde, kon geven en terug kreeg. Ze had daar enkele jaren geleden, toen hij was vertrokken, al lang over nagedacht. Haar wens was haar zelfs ontgaan, toen ze de afgelopen jaren het bed had gedeeld met buitenlandse lovers. Tot wanneer ze hem tegenkwam. Een boefje die haar hart had gestolen, een hartendief. Zijn woorden duizelden en maalden nu voortdurend in haar hoofd. Ze was nog niet terug thuis van vakantie, maar voelde zich al thuisgekomen, bij hem in haar hoofd en in haar hart.
Hij noemde haar kevertje, hij was als kleine jongen een kevervanger. Hij spaarde ze in kleine luciferdoosjes, die hij achteraan de tuin onder de grond begroef in de zomer. Hij zat in kleermakerszit naast het bed te lezen in strips en boeken. Hij hield van boeken en maakte de verste reizen in zijn hoofd. Hij was een dromer, die nu van haar droomde. Hij dacht soms na waarom hij haar nooit eerder had ontmoet. Hij wist wel dat het goed was, waarom zij nu zijn dromen kwam binnengevlogen. Zijn hele leven lang, was hij al op zoek. Hij zocht onder het bed naar vergeelde foto's van zijn idolen, hij zocht tussen de boekenrekken naar het ultieme verhaal in mooie woorden. Hij zocht naar soldaatjes, nog voor G.I. Joe als Ken was geboren. Hij zocht naar liefde, passie en meer dromen. Na al de verloren jaren op scholen, niet te vatten kennis over wiskunde en dwaze jongensstreken, had hij diep vanbinnen altijd geweten dat dit hem wel kon overkomen. Hij had er ook over gefantaseerd, na al de boeken te hebben gelezen uit de wereldliteratuur. De duizenden liefdesnummers die de radio roze draaiden op een dag. Hij had zelfs al een heel leven opgebouwd, waarvan hij dacht dat het zo moest. Hij had al te lang rondom zichzelf gekeken en geleefd, zonder te beseffen, dat wat hij zelf wou, dat daar zijn geluk in lag voor de rest van zijn leven. Met makkers had hij tussen pot en pint al menige uren gediscussieerd, het leven willen omgooien, op zoek naar die verloren jaren van stil verlangen. Maar zijn makkers werden ook geleefd en ontnuchterden hem steeds van zijn dromen. Dus dronken ze meer en vielen in slaap bij testbeelden waarbij de sigaar een stille dood was gestorven in de asbak. Hij had nooit gedacht dat zijn gedachten zo'n hoge frequentie uitzonden, dat het trillen van haar handen haar bewoog voor hem te schrijven. Ze liepen verdwaald en toonden elkaar een nieuwe weg. Nieuwe wegen, die haar vrienden ook zouden moeten nemen. Ze dacht aan hen die triestig huilden om wat was geweest. 'Bewandel vol vertrouwen de weg die je loopt', prevelde ze, terwijl hij enkel haar gedachten vulden en niks anders dan hoop. Hoop, op een fantastisch leven.

maandag 23 augustus 2010

Piskie-light

Ze staart naar de bergen die tranen van bloed. De lucht is grijs, wolken hangen laag. Ze kan zo de wolken overvliegen en ziet hoe blauwer dan blauw de hemel daar is. Het water rimpelt. De bergen glooien met scherpe punten. Vandaag is zij het wollen deken tegen de kou. De kou van de winter die in het verschiet ligt. De kou die soms haar hart omklemt van eenzaamheid. Talmend baant zij haar een weg door het dal waar de berg ontspringt. Ze wandelde al vele bergen en heuvels over, haar weg gaat maar door.
Ze volgt de weg van haar hart, dan komt ze uit waar ze moet zijn. Maar de weg is lang en lastig. Ze wandelt onder heimelijke bomen, die ze beklimt. Ze bouwt een boomhut in een heimelijke boom. De boom is hoog en breed. Ze wil schuilen voor wat komen gaat.
Krakend bewegen de takken van de bomen zich om haar heen. De ladder is gevallen. Ze kan niet uit de boom. Ze wacht vol ongeduld tot wanneer haar vleugels zich spreiden, zodat ze vliegen kan. Ze wil vliegen naar eindeloze zeeën en stranden waar de woestijn begint. Maar de zee is te zout. Sommige zeeën prikten haar ogen, pijnigden haar oren. Word je doof van te veel of te weinig? Te veel of te weinig, wat?

Hij dwaalt. Hij loopt doelloos in het rond. Hij wandelt op een plek waar geen bomen zijn. Hij is de boom. Hij zondigt uit gezocht verlangen. Hij zwerft op zoek naar haar. Ze willen samen schuilen. Met zijn bladeren heeft hij haar toegedekt, zodat ze geen kou vat. Maar de wind waait soms hard. Met zijn takken biedt hij haar alsnog bescherming, hij, die op haar wacht.
Samen wachten ze tot wanneer de regen overdrijft, ook al zit de zon in hun hart. Ze bevroeden wat woorden elkaar vertellen. Soms drijven ze samen naar andere plekken als wolken boven hun eigen dromen. Zij zijn de lucht, de bomen, het water en de zee.
Alleen op de grond vallen zij samen, alleen op de grond kunnen ze verder wandelen. Nu kan ze bijna niet meer vliegen. Ze moet terug daar waar ze alles achterliet. Haar hart bloedt als ze denkt aan alle liefde die ze al heeft gegeven, aan hen die haar achterliet. Bloedend als tranen op de bergen die ze ziet. Dieprood kleuren haar lippen. Haar onderlip trilt alsof het voor de laatste keer is dat ze die ziet. Maar hij wil haar omhelzen, hij struint zijn paden af. Zijn geveterde schoenen schuifelen op het grindpad, krakend als zijn takken, die haar beschermen mag.
Zij is de vlinder die weldra zal sterven. De vlinder die fladderde van tak naar tak, van blad naar blad. Ze rust op het water, de aftakeling is begonnen. Nog even en de rimpel zuigt al het leven uit haar weg. Ze hoeft niet langer een vlinder te zijn om te kunnen vliegen. Ze vloog al weg uit papieren verhalen, ze schreef haar eigen leven opdat ze het papier kon achterlaten en de wereld van pijn kon verdwijnen.
Pijn is niet langer nodig, pijn is niet langer smart. Het is hun eindeloos verlangen, dat ze soms niet vatten, maar er wel altijd lag. Zijn voet trapt op een afgevallen blad. Zijn witte hiel raakt een steen, terwijl hij zich omdraait en wegdwaalt van het ingeslagen pad.
Niets dan woorden deelden ze samen, niets dan zinnen, zuchten en weer doorgaan. Ze zingen hun eigen lied. Ze sliepen samen, dwaalden door het huis dat nog niet bestond. Het huis met vergeten boeken. Boeken met plaatjes die ze samen alleen lazen. Hij wil haar lezen. Voor hem is zij het beste boek. Het boek dat zij nog moet gaan schrijven, het boek dat haar nooit verliet. Het zit verscholen tussen anderen. Het brandt bijna uit het boekenrek. Hij neemt het in zijn handen, zijn vingers glijden over het papier. Maar het papier vergaat na jaren, enkel zijn hart blijft stromen. Gelukkig geloven ze beiden in hun dromen.

zondag 22 augustus 2010

Teaser: kortverhaal 'Licht'

Ik ontwaakte toen een hand me bij de keel greep en vijftien euro voor me bood. Miljoenen bacteriën, waarvan ik het bestaan allang was vergeten, kriebelden mijn armen. Ik was nog één lichtpunt rijk, maar ook die leek te slapen. Ik snakte naar vloeistof, naar een warm bad. Ik bengelde onder iemands arm en hoorde stemmen in de verte. De jaren van mufheid die mijn ogen bijna hadden dichtgeslibd waren niet voorbereid op de lichtstralen die mijn armen opving, eenmaal ik buiten werd gedragen.
Een witte Vito waarvan de banden onder het modder me begroetten werd even mijn nieuwe thuis. Zo snel als ik werd vergeten, zo snel had iemand me gekocht. Later hoorde ik dat het vandaag een zondag was, in de Ecoshop aan de Afrikalaan.

De rit ging moeizaam. Ik lag terug op een vuile ondergrond die bezaaid was met wat gras, aarde en kleine steentjes. Het koude metaal maakte krassen op mijn armen. De stemmen klonken nog steeds hol, alsof ik in een tank met water zat. Mijn oren en armen deden pijn van de piepende remmen, telkens de Vito stopte en weer met korte aanhalen vertrok.
'Het is een pareltje,' hoorde ik een geraspte stem zeggen. Even was het weer donker. Iemand had een wollen deken op me gelegd die alle zuurstof uit mijn longen leek te zuigen. Besef van tijd had ik niet meer. Hoelang had ik daar gehangen? Hoelang was het geleden dat mijn landlady was gestorven? Alle vragen en antwoorden vloeiden als inktvlekken door elkaar in mijn gedachten.

Toen het wollen deken terug van mijn hoofd werd getrokken en de zware hand me terug bij de keel greep, zag ik voor het eerst het huis. Het was een landhuis met een toren naast de ingang. De rode bakstenen waren her en der bedolven onder klimop. De zware hand die me de lucht ontnam, bleek van een jonge man te zijn, met blonde haren en blauwe fonkelende ogen. Met zijn ene hand had hij me vast, met zijn andere hielp hij een oudere dame de drie trappen op, tot aan de ingang van het huis. Vogels snerpten en bladeren plakten aan de overloop toen de oudere dame de verroeste sleutel in het sleutelgat deed. Een vertrouwde geur kwam op me af. Het werd terug donker voor mijn ogen. Toen ik wakker werd prikten mijn wonden in het zeepsop dat naar ziekenbedden rook.

Verrimpelde handen streelden mijn armen. 'Wat ben jij mooi,' fluisterde ze. Ze haalde me uit het goedje waar ik blijkbaar een tijdje had ingelegen. Haar wangen gloeiden terwijl ze me met een zachte handdoek droogwreef. Een warme gloed verwarmde mijn armen, ik begon zowaar te gloeien.
Een zwart potje met vergulde Times New Romanletters op werd geopend en ontnam me van lucht, met een poetsdoekje masseerde ze met zachte bewegingen een vloeistof in, die mijn schrammen deed verdwijnen. Ik was een lichtkandelaar, maar door de jaren van verloedering had ik mijn ware gelaat al lang niet meer zien schitteren.
De oudere dame met lichtbruine krullende haren en haar gouden montuur van waarachter haar heldere blauwe ogen blikten, begonnen te weerspiegelen op mijn armen. Lampje was verdwenen. Die was vast ingeslapen en weggegooid. Hij was lichtdood. Ook kriebelden mijn armen niet meer, de bacteriën had ik achtergelaten in het zeepsop.

Terwijl ze me opnam en me op een eettafel plaatste kreeg ik af en toe flitsen van een soortgelijke vertrouwde omgeving. Maar zo snel herinneringen kwamen en ik me probeerde te concentreren om deze terug boven te halen, gleden ze zo snel als zand door vingers in mijn geheugen weg.
Ik bemerkte dat het vrouwtje met een kartonnen doos aankwam met kaarsvormige peertjes erin. Eén voor één kregen mijn twaalf armen een nieuw peertje. Gelukkig waren het geen spaarlampen, die konden niet praten en maakten geen plezierig licht. Ze waren koud en artificiëel.
De sfeer die in de kamer heerste was die van vergane glorie. De ruimte was bezet met een eikenhouten eettafel en vier stoelen. Ook de twee dressoirkasten die langs beide kanten de tegenoverstaande muren sierden, droegen dezelfde grootmoeders' warmte uit. In de deurtjes zaten spiegeltjes en ik zag mezelf voor het eerst terug na een hele lange tijd.
Mijn armen glommen, maar mijn kristallen jas was nog niet helemaal aangevuld. Her en der ontbraken kristaldruppels maar diegene die altijd op mijn armen met heldere reflectie hadden gehangen, straalden weer als vanouds.
Twaalf lampjes werden één voor één in mijn electrische handschoenen geplaatst. De vrouw deed het zoals het hoorde, met liefde en zachtheid zodat ze als het ware terug verlengstukken werden van mijn eens zo sterke armen.

Het was pas toen ik omhoog werd gehesen en opgehangen bij de met bloemenversierde rozas dat ik terug bijkwam. Mijn electrische haardraad werd aangesloten en het was pas toen ik de electrische geladenheid door mijn hele lichaam voelde stromen, dat ik mij terug de oude begon te voelen. De warmte zorgde ervoor dat ik eindelijk terug kon zien waar ik was beland.

zaterdag 21 augustus 2010

Zwijmelen

Leonard Cohen zingt met zijn diepe, warme stem 'Dance Me to the End of Love' op het Sint-Pietsplein te Gent. De menigte heeft veel betaald om de Voice himself te horen, te zien en te beleven. Hun harten worden gevuld met niks dan liefde. Zijn muziek is poëzie. Hij zingt en vraagt om met hem te dansen tot wanneer de kinderen er zijn die nog geboren moeten worden.
In Biddinghuizen staan artiesten hun liefde te delen met een menigte jongeren. In Kiewiet staan tieners met pukkels te dansen tot wanneer hun puistjes groen worden. Overal wordt er gedanst, gekust en gevreëen. Zij dansen ook. De nacht is gevallen en het is net geen volle maan.

Het is vrijdagavond en ze gingen eens niet naar een feestje, ze maken hun eigen feestje. Ze heeft een streepjestruitje aan en een loszittende grijze broek. Hij ligt op de bank in zijn jeans en zwarte t-shirt. Terwijl Cole Porter zijn muziek door de kamer galmt, gaat ze bij hem liggen. Hij omhelst haar met zijn zongekuste arm en ruikt aan haar haar. Zijn rechterhand glijdt onder haar truitje, hij volgt de glooiing van haar rug. Hun ademhaling gaat synchroon, ze kussen. Het stormt in hun lijf.
Even later staat hij op en gaat naar de koelkast, drinkt gulzig van de fles Chaudfontaine. Hij gaat terug naar de huiskamer en gaat op een stoel zitten, hij kijkt naar haar. Ze lacht. Hij heeft het warm en trekt zijn t-shirt uit. Hij neemt haar hand en trekt haar naar zich toe. Hij doet haar truitje uit. Hij kijkt naar haar peervormige borstjes en zijn tong streelt haar tepels. Haar onderbuik trilt. Hij laat zijn hand even op haar buik rusten. Met een vinger omringt hij het randje van haar slipje en tast haar onderbuik af. Haar buik trilt nog steeds. Hij neemt haar rechtertepel in zijn mond en zuigt er zachtjes aan. Haar handen gaan door zijn haren. Hij trekt haar broek naar beneden en die vindt zijn weg naar haar enkels. Ze zwijmelt. Hij kijkt haar aan, haar ogen blinken. Hij geeft haar een kusje op haar navel en trekt haar onderbroekje uit. Haar bosje haar kriebelt zijn kin. Ze gaat sneller ademhalen. Ze zijn beiden opgewonden. Hij legt haar op de grond en spreidt haar benen. Zijn tong vindt zijn weg tussen haar benen, hij smaakt haar geil dat hij lekker vindt. Haar dijen spannen zich op. Haar tepels zoeken de hemel. Hij kust haar lippen terwijl een stroom van passie door haar lichaam racet. Ze kantelt haar hoofd naar achter en geeft zich volledig aan hem over. Zijn tong zoekt het juiste tempo. Bloedgeil kronkelt haar rug over het wollen tapijt. Ze streelt door zijn haren en ze wil dat hij op haar komt liggen. Hun ogen vinden elkaar. Ze kijkt hem met doordringende ogen aan.
Hun lippen raken elkaar en ze kussen elkaar hartstochtelijk. Ze ontknoopt zijn jeans en trekt zijn broek uit. Hij kijkt in haar ogen, het zijn voor hem de mooiste die hij ooit heeft gezien en wil erin verdrinken. Ze kussen elkaar opnieuw, hun tongen strelen elkaar. Zij wil hem, hij wil haar. Hij glijdt langzaam bij haar binnen. In hun ogen die elkaar niet verliezen, zien ze niks dan liefde.

In Zuid-Frankrijk dineren zij naast het zwembad, het is nog eenendertig graden. Ze voeren gesprekken over het goeie leven. Er wordt gelachen, gedronken en gefeest. Sterren fonkelen in de inktzwarte lucht.
Op Lowlands vertelt een nightwriter een verhaal over liefde. Een meisje staat met een flesje bier aan de artiesteningang te luisteren naar zijn woorden. Ze glimlacht, het stemt haar vrolijk.
Een fotograaf ontmoet Leonard Cohen en ze schudden elkaar de hand. Hij legt zijn moment vast, dat morgen zal verschijnen in de krant. Een getrouwd stel slentert de Kantienberg af en gaan naar café De Geus van Gent. Hij bestelt een Orval en een Cola Light voor haar. Ze gaan samen zitten in de zetel en kijken naar de sfeer die er hangt, een gezellige drukte en uitgelatenheid brandt op hun netvlies. Op dit moment is er niks dan liefde, het gelukzalige gevoel wat slechts enkelen beroeren. Een moment waar harten sneller slaan, zo op een doodgewone vrijdag, die het weekend inluidt en waar mensen komen en gaan.

vrijdag 20 augustus 2010

Taaljunkie

De toetsen van het klavier zijn geel geworden. Haar vingers schuiven over de ooit eens witte knopjes van een MacBook. Met harde toetsen slaat ze de knopjes aan, ze zoekt naar woorden. Ze is een taaljunkie. Hij ook. Ze schuimen de straten af, op zoek naar letters, woorden die zinnen vormen en zien poëzie in het straatleven van alledag. Ook in hun virtuele wereld surfen zij op zoek naar woorden, verhalen die soms niet kunnen, poken, porren, taggen, chatten, omdat het niet mag.
Zoekend naar de juiste bestemming, vinden hun woorden een weg. Ze nemen elke hoofdweg, elke zijstraat opweg naar hun dromen, die voor hen hun autosnelweg is. Ook al is die weg niet altijd duidelijk, soms zijn ze blind. Soms zijn ze doof en kunnen ze de signalisaties niet lezen, de stemmen niet horen, ze vinden wel hun weg. Ze zwemmen, galopperen, draven maar door. Soms klinkt het echt gezever, het zijn maar woorden, die ik hoor.
Zij wandelt rond op verlaten pleinen waar d's en t's verscholen liggen in het beetje gras. Gelukkig heeft het stadspark groen en liggen daar de letters die margrietjes laten bloeien, die de wind streelt en ze laat buigen in het gras. Tussen de klinkers vindt ze medeklinkers, aan de kerk hangen klinkers en bellen soms luid en vol vreugde, zoals haar dag steevast begint. Het is maar wanneer de honger is gekomen, dat hij op zoek gaat naar een café, naar een pint. Verstrooiing is het medicijn die hen even soelaas biedt. In al hun woorden liggen liefde, omdat ze niks anders kennen dan slechts dit. Ook al is het voor velen alles, het is daar, in de straten dat het is. Met trots en fierheid spreekt ook hij, hij die een gebouw der letteren is. Hij vertelt haar de volgende woorden, die zij schrijft in een gedicht.

Daar ga je
loop je me voorbij
jij
met je stoere
cowboylaarzen
en je hoed
met je krant
onder de arm
met je hond
aan de lijn

jaren
sta ik hier te staan
wachtend tot jij me ziet

en als de avond valt
dan kom jij me strelen
met je sterke handen
en je leunend lijf
met mijn woorden
wis ik je pijn
schuilend tegen de nacht
en dovemansoren

ik ben er voor jou

ik heb
altijd
op jou gewacht.

Bij fonkelende sterren die na de regen de straten, stadspleinen en dakpannen doen glimmen, duikt zij in haar dromen. Haar woorden doen haar reizen, daar waar anderen overdag zijn geboren. Zij fladdert er doorheen. Wanneer ze wakker wordt, de geur van verse zomerregen als koffie haar zintuigen streelt, gaat ze terug achter de MacBook wild tekeer. Gelukkig zijn de letters, woorden en zinnen tussen het zwarte asfalt teruggekeerd.

donderdag 19 augustus 2010

Bikiniwax

'Mevrouw, kan ik u helpen?'
'Ja, 't is voor een afspraak voor een bikiniwax.'
'Ja, en hoe had u die gewild? American, French of Brazilian?'
'Euh...'
'American is normaal, enkel de haartjes aan uw bovenbeen en in uw lies worden verwijderd. De French is wat meer weg langs de kant, ongeveer drie vingers dik bovenaan de vulva blijft staan. En de Brazilian is alles weg of enkel een klein streepje blijft over. uiteraard kunt u bij de Brazilian ook kiezen voor verschillende vormpjes: een hartje, een driehoek, een blokje of een vlinder.'
'Hm, doe maar normaal.'
'Ok, da's de American wax dan.'
'Ok, hoelaat kan ik komen?'
'Om half vier vanmiddag.'
Ze keek even naar het klokje op haar mobieltje, die gaf 11:18 aan.
'Het gaat niet vroeger?'
'Nee mevrouw, sorry.'
'Ok, geeft u me dan een kaartje, dan bel ik u voor een afspraak op een andere dag.'
Alsof iedere vrouw vandaag een bikiniwax wou doen, spookt het door haar hoofd. Wat mist ze haar vriendin die schoonheidsspecialiste is en haar normaal ontdoet van de donkere haartjes op haar benen.
Ook de gesprekken die ze intussen voeren zijn uiterst intiem. Ze hebben het over hun mannen. Hoe ze nog vaak een avondje stappen en pas 's ochtends hun weg terugvinden naar de warmte van hun liefdesbed.
Haar vriendin, De Schoonheidsspecialiste is niet gehuwd, maar kocht in januari een kind, een dochter. Vorig jaar kreeg ze nog eens een telefoontje om tien uur in de ochtend op een zaterdag, waarbij haar vriendin, De Schoonheidsspecialiste tranen met tuiten huilde. Ze jankte omdat haar vriendje nog steeds niet thuis was gekomen en ze zich afvroeg of hij niet iets was tegengekomen. Zij dacht meteen dat hij bij een andere vrouw in bed lag. Maar dat kon ze met zoveel woorden niet aan haar kwijt, dus stelde ze haar vriendin gerust met woorden, dat hij allicht met zijn makkers ergens zat te ontbijten na een nachtje stappen en bierzuipen. De doorsnee Vlaamse man deinst niet terug voor een echte Belgische pint. De eerste man die geen bier lust, moet ze nog tegenkomen.
Later hoorde ze dat hij tegen lunchtijd thuis was gekomen, een lasagne die ze had bereidt de avond voordien had hij binnengeschrokt en toen was hij uitgeteld op de bank in slaap gevallen. Intussen hebben ze een kind. Zij moet er de hele tijd voor zorgen. Hij zit in de bouwsector en is bijna nooit thuis. Hoewel De Schoonheidsspecialiste ook het huis afbetaalt, iedere dag gaat werken, vers eten voor hem klaar maakt, zijn hemden strijkt en tussenin nog haar dochter aan haar borst laat zuigen, het blijft haar een raadsel.
Zij is nog beter af dan. Ze heeft nog geen kinderen en timmert aan haar carrière. Wel is ze soms intriest van al de verhalen die ze van haar vriendinnen hoort. Drie van haar vriendinnen hebben buitenechtelijke relaties. Vooral wanneer ze samen komen en de wijn rijkelijk vloeit bij zulke avondjes, benoemen ze zelfs het mannelijk lid met naam en toenaam, ze delen de mannelijke geslachtsdelen in categoriën in, echt waar!
Eigenlijk heb je drie grote categorieën: de ‘chipolata’s’, de ‘paardenlullen’ en de ‘flesteuten’. Waarom ze zo worden ingedeeld, blijkt alvast uit de namen die ze de zuigstokjes geven. De ‘chipolata’ is eigenlijk het meest voor de hand liggend, hij is lang, smal en geeft weinig bevrediging, net zoals de echte eetbare worst waarvan de naam is afgeleid. Ze eet liever die van de barbecue, met een andalousesausje. Ze heeft ze ook liever dan de merguez-worstjes, die zijn haar te pikant en geeft een wrange nasmaak in haar mond.
De ‘paardenlullen’ zijn absoluut niet aan haar besteed. Sommige van haar vriendinnen lusten ze wel. Ze zijn lang en dik, maar hebben vooral een heel dikke kop. Haar vriendinnen die ze wel lusten, zeggen dat de dikke eikel hun G-plek makkelijk vindt en stimuleert, zodat ze sneller tot hun climax komen. Dat komt ze ook goed uit, want mannen met een ‘paardenlul’ komen meestal sneller klaar. Last but not least is er natuurlijk de ‘flesteut’. Dat is haar favoriet; hij is de normaalste in zijn soort, niet té lang, niet té dik en het is een weldaad voor elk vrouwenlichaam. Haar vriendinnen gaven die naam nadat ze al goed waren aangeschoten door de flessen Merlotwijn.
Terwijl ze in het shoppingcenter draalt flitsen dit soort avondjes aan haar voorbij. Gelukkig drinkt ze niet en heeft ze even geen vriend. Ze loopt de supermarkt in en vraagt zich af wat ze zal eten vanavond. Alleszins geen worstjes.

woensdag 18 augustus 2010

Hartenklop

Hij keerde eindelijk terug naar huis. Het Griekse eilandhoppen zat erop. Met lichtverbrande wangen en korte broek stond hij aan de security van de vlieghaven in Heraklion. Morgen zou hij al terug aan het werk zijn. Het was er nog steeds warm en hij hield zijn paspoort in zijn handen. In België regende het pijpenstelen. In Frankrijk scheen de zon. Hij mijmerde terug aan zijn vakantie, waarbij hij al zijn meegebrachte boeken las, prachtige uitzichten had genoten met azuurblauwe wateren en waar zij voortdurend door zijn hoofd had gespookt.
Zij lepelde kaassoufflé uit een pan en deed dit op kleine ronde witte broodjes. Ze krabde aan enkele muggenbeten die haar afgelopen nacht hadden leeggezogen. Ze bereidde een Provençaals feestje voor, waarbij haar internationale buren zouden genieten van zelfgemaakte kaaskroketjes, eendenborst met groentjes en amandelkroketjes en verse Banonkazen. Ze keek er naar uit en dacht aan hem. Hij zat bijna in het vliegtuig. Hij wou nog steeds dat hij zelf kon vliegen, dan vloog hij naar Marseille. Dan zou hij er op tijd kunnen zijn voor haar feestje. Maar hij kon niet vliegen. Ze vlogen enkel met hun gedachten naar elkaar. Ook zij had de laatste dagen terug naar huis willen vliegen. De Feeks was nog steeds een feeks. Ze hoopte maar dat ze vanavond geen pleister op haar mond hoefde te kleven, zodat ze haar raspende stem niet hoorde terwijl ze haar vrienden entertainde. Mocht het uit de hand lopen, dan had ze gevraagd aan de buurman haar vast te binden op een stoel in de kamer, duck tape over haar mond te kleven en haar van de okergele rotsten te gooien in het donker. Een offer aan de als bloedtranende bergen die in haar achtertuin lagen.

Ze zuchte en voelde hoe haar longen zich vulden met lucht. De vlinders zaten nog steeds in haar buik, in de zijne ook. Beiden telden ze vanaf nu de dagen af, tot wanneer ze elkaar zouden zien. Hij droomde over wat hij zou zeggen, net als toen de eerste keer hij haar belde en al zijn voorgedachte woorden hun weg niet vonden. Maar zij ze wel hoorde. Hij kon niet voorbereiden wat zijn hart wou vertellen. Zij stamelde vaak en voelde een golf van gelukzaligheid door haar lichaam racen telkens ze elkaar hadden gehoord de afgelopen weken.
Ze vroegen zich af hoe hun gewone handelingen eruit zagen dat zich zou branden op hun netvlies. Hij vroeg zich af of ze nog steeds een glimlach had zoals op de vergeelde foto. Zij vroeg zich af hoe zijn handen zijn sigaar omklemden, net als in café Den Hopper, hoe zijn vingers zijn paspoort vasthield, hoe hij haar zou omhelzen, met zijn vingers strelend over haar wang. Hoe hij zou glimlachen en hoe zij zijn rimpeltjes naast zijn ogen zou zien. Hoe zij zijn wangen en kin zou aflezen met een lichte baardgroei en hoe zijn hals overvloeide naar het stukje waar zijn openstaande hemd zou op rusten. Hoe zij het bovenstaande knopje dat op zijn borst lag zou openknopen en haar hand haar weg zou vinden op zijn zuchtende borstkas. Daar waar nu een zweetdruppel parelde, terwijl hij plaatsnam in het vliegtuig.

Vanaf morgen zat hij terug in zijn kantoor. Hij zou door het raam staren en puffen en niet omdat het warm weer was aan Linkeroever. Zij zou in slaap vallen naast het zwembad, waar een zuchtje wind haar kant opblies. Hij zou aan haar denken en dromen van alles wat ze nog zouden beleven. Zij zou zijn gedachten schrijven, opdat ze elkaar ergens tegenkwamen. Elkaar ontmoeten, daar waar ze elkaar al duizenden keren hadden ontmoet. Daar waar de wijn en haar lippen roder kleurden, daar waar de glimmende straatstenen opgedroogd werden door de zonnestralen. Daar waar gelukzalige herinneringen plaatsnamen voor nieuwe spannende ervaringen. Daar waar zij elkaar voor het eerst spraken, in hun eigen onvolmaaktheden, waar ze samen volmaakt één werden.

dinsdag 17 augustus 2010

Aperitief

Ergens lopen ze, hand aan hand. Gaan ze samen naar pittoreske dorpjes, terwijl de zon de hemel blauwer maakt. Daar waar jij achter het raam staat te staren, terwijl de regen tegen je raam tikt. Zij vliegt naar hem toe. Ze sluit haar ogen en ziet hem rusten met zijn rechterhand op zijn buik, terwijl zijn linkerhand bengelt naast de strandstoel. Zweetparels blinken onder zijn zonnenbril. Hij slaapt. Hij droomt van Iphones terwijl hij haar ziet glimlachen. De zon staat in het zenit. In Rusland ziet een man gehuld in korte broek met een marcelleke niet verder dan enkele meters voor zicht uit. Er hangt een nevel van hitte in de lucht en het ruikt verbrand. Iedereen loopt op het Rode Plein haastig naar een plek waar verkoeling is. Met een zakdoek voor zijn neus en mond haast hij zich naar een café waar hij een vodka bestelt. In Punjab loopt een man met zijn vrouw en vier dochters door een bruine watermassa, waar het water tot aan zijn buik staat. Hij zoekt een plek waar er geen water is. Het water stroomt harder dan hij dacht en hij heeft moeite om stappend in het water een plek te vinden waar geen water is. Hij wil in de bomen klimmen en een boomhut bouwen. Enkele kleren draaide hij afgelopen nacht in zijn bedlaken en houdt hij boven zijn hoofd, de lucht in.

Jij staart door het raam en vraagt je af wanneer de zon terug gaat schijnen. Het is putje zomer en het regent. Je vraagt je af waarom je alleen zit en waarom hij je in de steek liet. De koffie die je drinkt is lauw en een vlieg rust op de appels in de fruitschaal. Je eet een banaan en steekt je Ipod in de boxen. Uit de boxen galmt vergeten muziek die je ooit blij maakte. Je denkt na over je leven en gaat op de bank languit liggen. De kat komt spinnend naast je liggen. Je aait ze en ze ronkt van deugd en warmte. Je denkt na over Kerstmis die binnen vier maanden zal worden gevierd. Je hebt geen idee wie je zal vragen of waar je zelf zal zijn op dat moment. Je dommelt in slaap. Je droomt van exotische stranden met wuivende palmbomen. Je ziet hem naar je toe zwemmen in het heldere blauwe water. Je ligt op je badhanddoek en kijkt naar de eindeloze zee. Hij ziet er beter uit dan in werkelijkheid. Hij stapt uit het water en komt naar je toe. Waterdruppels vallen in het witte zand. Hij heeft het over de reizen die hij maakte en hoe veel moeite hij deed om naar je toe te komen. Je glimlacht en je mond lijkt een woestijn. Hij kust je en je voelt een rilling door je lijf. Je wordt wakker en je bananenschil ligt op de grond, naast de zetel. Je staat op, raapt de bananenschil op en gooit ze in de vuilnisbak.
Je neemt een zak pasta en besluit Pasta Carbonara te maken. Je Ipod zet je luider, want je hoort Leonard Cohen zingen 'Everybody Knows'. Je zingt mee met de woorden en je glimlacht, terwijl je de stukjes lardons uit de ijskast haalt en bruin schroeit in de pan. Je kat komt langs je benen aandacht vragen. Je neemt ze op en legt ze op de bank, terwijl de pasta gaart in het kokende water. Je telefoon gaat en een vriend vraagt je of je thuis bent. Jullie hebben het over het weer, hij vraagt hoe het met je gaat. Je nodigt hem uit om pasta te komen eten. Hij komt langs.

Ze kust hem wakker en laat haar handen op zijn borstkas rusten, hij streelt door haar haar. Ze vraagt hem of hij honger heeft. Ze staan op en gaan zwemmen in het zwembad. In het zwembad lachen ze en zwemmen ze achter elkaar aan. Ze zwemmen naar de bar die in het zwembad is gebouwd. Ze nemen plaats op krukjes die vastgemetseld zit in het zwembad en bestellen een mojito. Ze klinken op hun vakantie en kijken hoe de barman gekleurde vloeistofjes schudt in een coctailshaker. In Punjab wordt de familie in een zodiac boot gered en krijgt hij een flesje water in zijn handen. In Rusland zet de man zijn lege glas met een luide plomp op de toog. Zij bestellen een pastis op een terrasje. Jij opent een fles roze champagne terwijl de deurbel gaat. Allen drinken ze hun drankje. De sensatie is dezelfde, de situatie anders. Zoals het leven is, zo drinken wij, klinkend op elkaar. Aperitiefje?

maandag 16 augustus 2010

Zusjes

Ze heeft zo van die dagen dat ze gewoon wil oplossen tot stof. Ze wil verdwijnen, alsof ze er nooit is geweest. Ze werkt hard. Ze runt een hotel en heeft de afgelopen acht weken nog geen moment voor haarzelf gehad. Ze is zo moe, dat ze als een computer glimlacht naar de klanten, eten geeft met liefde en zelf bijna geen tijd heeft om wat te eten. Enkele uurtjes per nacht hebben haar hersenen nog om bij te komen. Zelfs dromen heeft ze niet meer. Ze doet niks anders dan ontbijt maken, afwassen, kamers poetsen, drankrekken aanvullen, drank uitschenken, eten maken, eten serveren, terug afwassen en zo gaat het maar door. Al acht weken lang, duizenddriehonderd en vierenveertig uur lang. Haar hoofd tolt als ze de trappen oploopt met versgewassen beddengoed. Haar lief werkt nog fulltime als brandweerman. Hij is brandweerman in Vlaanderen en zij zit in haar chambres d'hôtes in de Ardennen. Ook hij rijdt bijna elke dag honderdachtentachtig kilometer. Ze hebben niet echt een leven meer samen. Maar ze zijn jong en het is nu dat het moet gebeuren. Het is nu dat ze geld moeten verdienen voor later. Ammehoela denkt ze, alsof er nog een later zal zijn als ze zo doorwerkt. Gelukkig lost haar volgende week iemand af, zodat ze bij haar zus op bezoek kan die in de Provence woont tijdens de zomermaanden. Haar zus denkt aan haar, los van haar fulltime job ging ze de afgelopen vijf jaar ieder weekend helpen in de chambres d'hôtes.
Het is drie maand geleden dat ze elkaar spraken of zagen. Daarnet skypeten ze even. Ze kon even haar hart luchten. Ze hadden het over de mensen die soms niet beseffen hoe zwaar zo'n leven is. Ze hadden het over hun vrienden die denken dat ze bulken van het geld en niks te doen hebben. Maar ze hebben alles te doen. Samen werken ze aan hun toekomst. Beiden besloten ze geen kinderen te nemen zodat ze hun carrière bovenaan konden plaatsen. Maar ook zij die hard werken worden gekwetst door mensen. Klanten die niet vriendelijk zijn als ze eens beslist een avond geen eten voor ze te serveren. Klanten die klagen dat het weer niet meezit, alsof zij daar wat aan kan veranderen. Klanten die zeuren dat ze geen tijd meer voor elkaar hebben, terwijl ze niet zien hoe moe zij eigenlijk is. Mensen die de naam mens soms niet waardig zijn. Daarom wil ze soms verdwijnen. Daarom wil ze soms dat ze zich kon wegtoveren, zelfs niet naar een ander werelddeel of universum. Gewoon dat het eens stopt. Dat er eens niks meer is. Het niets, dat waarvan ze denkt dat er alles al is om iets van te maken.

Haar zus zit op een achtbaan. Ze heeft het over haar lief die haar liet zitten omdat ze teveel aandacht gaf aan een andere man. Ze heeft het over de boeken die ze schrijft, over de uitgever die maar uitblijft. Ze heeft het over vechten voor haar dromen. Ze heeft het moeilijk omdat ze alleen is. Ze heeft het over De Feeks die meekwam met hun ouders en die niet te doden valt. Ze heeft het over de mensen die ze wel al spontaan een harde dood toeschreef in haar boeken. Ze heeft het over de buren die haar hielpen, toen de auto stuk was. Ze heeft het over duizend en één dingen, zolang ze maar even vergeet, dat ze hoopte dat ze er ook even niet was.
Beiden hebben ze het moeilijk. Beiden werken ze hard. Mensen zijn jaloers van hen als zusjes, terwijl ze altijd naar het leven lacht.
Ze zouden graag samen verdwijnen, ze hebben gelukkig elkaar, ook al spreken ze maar heel even, het geeft hen kracht en moed om door te gaan. Ze waren zo graag nog eens weggeweest. Ze hadden beiden zo graag soms andere ouders gehad. Ouders die ervoor zorgden dat ze zich niet in het leven moesten harden. Maar de parentificatie is voor beiden afgelopen, ze gaan beiden hun eigen weg. Ook al is die hard en lastig, ze zullen wel slagen, dat ligt vast.

zondag 15 augustus 2010

Feeks

Ze kende een oudere dame die gescheiden was. De oudere dame was negenenzestig jaar jong en was een echte feeks. Haar kinderen moesten niet echt van haar hebben, omdat ze op alles kankerde wat haar lief was. De Feeks was dan ook al een lange tijd alleen. Haar ikzucht zorgde ervoor dat ze een eenzaam leven leed. Ze kon ook niet meer lachen.
Op de een of andere manier had zij ouders die ook zestigers waren en alle liefde die ze hadden, gaven ze aan anderen. Zo kwam het dat De Feeks mee ging op vakantie. Op een niet zo zonnige zondag zouden ze naar een Provençaals marktje gaan om oesters te kopen, groenten en fruit. Zij verbleef al enkele weken alleen in het Provençaalse dorpje, waar ze met volle teugen al had genoten van lachende mensen, spelende kinderen, wuivende cypressen en wilde platanen. De Feeks snauwde dat ze niet meeging als zij zou rijden, ook zeurde ze al bij ochtendgloren dat als ze ergens heen gingen, ze niet achteraan in de auto wou zitten omdat ze anders niks zou zien. (Dat was al nadat ze had gezanikt dat de koffie er niet snel genoeg kwam.) Dus nam haar moeder plaats achter het stuur in de auto. Op het einde van de oprijlaan van hun huis stond een smeedijzeren poort, die ze met de hand opendeed zodat de auto zijn weg kon vinden. Zij opende de poort, nam plaats in de auto en hoorde De Feeks terug klagen of ze haar sigaret niet kon uitdoen. Ze antwoordde:
'Gaan jullie maar alleen naar de markt, ik blijf wel hier.'
Ze stapte uit en schoorvoetend keerde ze terug naar huis. Ze dacht aan De Feeks haar kinderen en besefte gelijk waarom zij De Feeks niet meenamen op vakantie. Haar zoon had een dokterspraktijk en had enkele puppies. Een week voordien had De Feeks met haar auto op zijn oprijlaan een puppy overreden. Dat was nadat ze hysterisch was geworden toen ze hoorde dat haar zoon terug vader zou worden van zijn nieuwe vriendin. Haar zoon was inmiddels ook al gescheiden, had twee kinderen die naar de universiteit gingen en had dus een nieuwe vriendin gevonden die opnieuw een kind van hem zou baren. In het dorp waar ze woonden was de zoon van De Feeks nochthans geliefd. In zijn vrije tijd had hij leren vliegen en was hij al vaker omringd door vrouwelijk schoon.
Toen ze terug in het huis was en haarzelf een koffie had uitgeschonken, mijmerde ze over alle mensen die ze kende die gescheiden of alleen waren. Een angst omsloeg haar hart en ze beloofde zichzelf dat ze niet alleen wou oud worden. Haar soulmate had ze nog niet gevonden, maar het boezemde haar angst in dat ze zou verbitteren en egoïstisch zou worden mocht ze alleen blijven. Ook al lachte ze vaak op feestjes haar angsten weg en had ze meermaals al gezegd: 'Liever alleen, dan ongelukkig met twee.'
Maar ze besefte ook, dat toen hij was vertrokken, dat ze liefde kenden. Ze had veel van zichzelf gegeven en hij ook. En toch waren ze nu beiden alleen. Ook kende ze vriendinnen die ouder dan haarzelf waren en langer dan tien jaar vrijgezel waren. Ze dacht aan ze en kreeg een rilling over haar rug. Ze deden wel wat ze fijn vonden, maar hun innerlijkste gevoelens konden ze niet delen. Ze hadden hun huis en leven ingericht zoals zij dat wilden. Ze aten, sliepen, gingen uit, op reis, alles zonder rekenschap te hoeven geven aan iemand anders. Ze kenden geen gesnurk of gedraai in bed en alle dekens waren voor zich. Nooit hoefden ze vreemd te gaan of iets stiekems te doen. Ze hadden seks met wie, waar en wanneer ze dat wilden. Ze legden platen op, waar ze op dat moment zin in hadden en kenden geen oorlog over de afstandsbediening. Maar toch besefte zij dat ze wel wat misten in hun leven. Ze voelde de liefde en het wrange gevoel dat schijnliefde al met zich mee had gebracht. Ze zuchtte, stak een sigaret aan en dronk haar koffie leeg. Gelukkig was ze, toen ze zijn stem hoorde en ze hem kon vertellen hoe ze zich voelde. Ze deelde haar angsten en liefde, ze leed niet aan zelfzucht. Ze was niet alleen.

zaterdag 14 augustus 2010

Wolkbreuk

Het regent pijpenstelen. De druppels wassen de dolomietsteentjes geler dan geel. Maar het zomert in haar hart. Ze denkt aan hem. Hij die er niet is. Hij die eilandhoppen is in Griekenland. Ze mist hem, net zoals ze de zon mist vandaag. Het dondert. Het bliksemt. Ze heeft zelfs geen internetverbinding meer. Daar raakt ze door van slag. Nu kan ze niet schrijven met haar geliefde. Nu kan ze haar uitgever niet contacteren. Nu kan ze De Stem niet meer horen op de radio. Maar De Stem is ook met vakantie. Allen zijn ze op vakantie en toch missen ze elkaar. Hun gedachten dralen af en koortsig bewegen hun vingers op het toetsenbord van hun MacBooks. Toch ontving ze vandaag een boek van haar paard in de wei. Een schrijver die haar meeneemt naar weilanden met margrietjes en haar 's avonds veilig terug naar stal brengt. Allemaal paarden, flitst het door haar hoofd. Onstuimig, niet te temmen en hinnikend sturen ze woorden naar haar toe. Ze nemen haar mee op hun rug, galopperen door berg en dal, rusten uit bij een rivierstroom die 'La Culotte' heet. Galopperen is leuker dan draven, het tempo ligt hoger en de zitting is zachter, leest ze op internet zodra de verbinding er terug is. Gelukkig maar. Gelukkig kan ze nog surfen op de zee, ook al schijnt de zon niet. (Oh pardon, dat vertelde ik al.)
Ook lukt haar schrijven niet goed vandaag. Ze mist de loveshots die zij van hem krijgt. De afkickverschijnselen nemen ergere vormen aan. Ze wil hem zien, ze wil hem ontmoeten, ze wil hem omhelzen en beminnen. Ze wil haar bloed voelen pompen, door haar aderen en haar hele lichaam stromen, wanneer ze in zijn ogen kijkt.
De foto's vergelen van kleur. De tijd gaat snel als je ouder wordt. Ze houdt er niet van. Ze houdt ervan wanneer de tijd haar geen parten speelt en haar rood aangeslagen wangen en oren verkoelt worden door de kamermuur. De bladeren zien groener nu het regent en de geur van verse zomerregen doet haar duizelen. Misschien is ze wel loom omdat ze weinig heeft geslapen. Ze ging haar ouders afhalen aan de vlieghaven. Weg rust, weg tijd voor haarzelf, weg is hij. Hij. Vier uur slapen is net genoeg om niet ziek te worden. Ziek van verlangen. Ziek van hunkerende woorden. Verliefdheid kan een ziekte worden. Er bestaat geen medicijn voor. Maar in haar geval wordt dat geen ziekte, ze weet dat al het beste nog gaat komen. Ze voelt er zich zo zeker van, dat de gedachte aan alles wat ze nog wil realiseren, ze kan visualiseren en haar lichaam verwarmt. Liefde lijkt soms vreemd voor haar. Tot wanneer het haar overviel had ze nooit zo'n grote kennis in haar macht. Ze twijfelde veel vroeger, nu is ze daar niet meer zo zeker van. Ze weet dat ze van hem houdt en hij van haar. Ze weet wat ze wil en vraagt er naar. Alleen nog het weer, dat even niet meezit vandaag.

Hij loopt te dralen langs het zwembad. Licht een sigaar en leest de verzamelde werken van Elsschot. Zijn kinderen joelen in het zwembad. Het is er snikheet, bij de eenenveertig graden. Die ene graad is er net teveel aan, prevelt hij, terwijl hij zijn boekbladzijde omslaat. Hij drinkt nog een Ouzo en kan zich niet echt goed concentreren. Hij sluit zijn ogen en denkt aan haar woorden. Hij zal zijn eigen weg gaan. Genoeg gedaan voor een ander, de vrijheid lonkt, de vrijheid die nodig is om zijn woorden om te zetten in daden. Hij was zo graag samen. Samen met haar. Hij was zo graag samen met haar aan het dansen. Dansen tot de tijd, -waarvan zij niet hield- weg te swingen. Tot het ochtendschemer op haar ontblote rug scheen. Dit is niet zomaar een liefdesverhaal, het is echt en ze maken hun dromen waar.
De pijpenstelen worden kegeltjes en laten kringen na. Het stopt vast met regenen binnenkort, daar kijkt ze naar uit. Intussen voeden ze elkaar met woorden zoeter dan zoet en glimlacht ze, wanneer de bittere tranen uit de hemel vallen op de stoepstenen, die ze doen glimmen, net als nieuw. De pleinen zijn verlaten, de platanen staan eenzaam in de kou. Ergens breekt een zonnestraal door de hemel, net zoals ze wou.

vrijdag 13 augustus 2010

Engel

Zij houdt van een engel. De engel die op haar schouder zit. De engel die haar bij de hand neemt en samen doet vliegen, terwijl er vallende sterren aan de hemel staan. Zij houdt ook van mannen. Mannen die haar het hof maken, die haar het gevoel geven dat ze bijzonder is. Zij kende een man, die was gescheiden, twee kleine kinderen had en in een leuk huis woonde. Voor haar was hij lange tijd haar engel. Ze trok bij hem in en zorgde voor zijn kinderen, alsof het haar eigen kinderen waren. Ze maakte eten met liefde klaar, plande leuke uitstapjes en bevond zich zowaar in haar eigen gecreëerde sprookje. Ze was nog jong, pas achtentwintig en had een leuke baan. Ze was het zonnetje in huis en lachte elke dag de dag toe en plukte die.
Het enige probleem was dat hij zichzelf nog niet had gevonden. Iedere avond ging hij uit, dronk al als ontbijt een pint en ging zo de hele dag door. Hij had zelfs geen stamcafé, zijn pitstop voor een Vlaamse pint was een tankstation dat gerund werd door een vriendin. Hij had een moeilijke jeugd gehad. Zijn vader was vroeg gestorven en toen hij als student werd gedoopt bij een studentenclub, moest hij het stadspark in en werd er vastgebonden aan een boom. De hele nacht moest hij de gruwelijkheden doorstaan, waar travestieten en mannen zich aan hem opdrongen. Gruwelijke nachten later liet dat beeld hem nooit meer los. Het had hem getekend. Het had hem niet wijzer gemaakt, doch heel intriest. Iedere dag vroeg hij zich af waarom hij zoiets had moeten meemaken in zijn leven. Het lichtpunt was toen hij zijn exvrouw leerde kennen en in het begin alles goed ging. Ze trouwden, hadden dromen en leefden een vrij normaal gelukkig leven.

Maar de nachtmerries gingen niet over. Ook niet toen hij in zijn auto naar de olieplekken staarde die voor het tankstation waren opgedroogd in de stenen. Ook niet toen hij haar leerde kennen. Hij vluchtte zijn leven lang om zijn angsten maar niet onder ogen te hoeven zien. Hij deed zich tegoed aan vrouwelijk schoon en leefde zelf een leven van decadente uitspattingen. Het licht was nooit meer aangegaan. Ook niet toen zij hem alle liefde gaf die ze dacht dat hij nodig had. Ze werd er zelf intriest van en ze braken de relatie af. Zij wou nochthans een kind van hem, ze had een moederwens, maar hij kon het niet meer opbrengen zijn leven verder te leven in een leugen. Toch kon hij haar niet loslaten. Enige maanden later, terwijl ze in de supermarkt haar eieren en groenten had gekocht, aan de kassa stond en hem de superette zag inlopen, brak haar hart. Hij had haar niet opgemerkt, maar ze kon de lijnen in zijn gezicht lezen die dieper waren geworden. De geel-bruine wallen onder zijn ogen waren de enigste kleur die in zijn vale gezicht opvielen. Ze stamelde toen ze geld zocht om de rekening te betalen, liep naar haar auto en nam plaats achter het stuur. Een traan bengelde van haar wang en ze startte de auto. Robbie Williams klonk uit de radio met Angels. Ze reed de parking van de supermarkt af, sloeg een laan in met hoge bomen en reed huiswaarts. Toen ze thuis was ging ze op bed liggen en dacht aan hem. Ze vroeg zich af of er iets was dat ze kon doen om hem te helpen. Maar ze kon hem niet helpen. Er waren geen pleisters voor zijn wonden. Ze viel huilend in slaap. Toen ze wakker werd zat haar engel op haar schouder. De engel die haar woorden influisterde, die haar rust bracht. Ze vroeg aan de engel even naar hem te vliegen, of hij hem niet kon helpen en niet haar. De engel vloog weg en ze zag hem niet meer terug.
De engel streek neer op zijn schouder. Terwijl de duivel naar hem lachte in zijn glas. Ze hoopte dat de engel hem haar woorden kon influisteren. Maar de engel viel in slaap op zijn schouder. Pas jaren later, toen hij op een dag wakker werd en de slapende engel bemerkte naast zijn kussen, dacht hij aan haar. Hij stond op en opende het raam. Hij zag de helblauwe hemel en de zon verwarmde zijn kleurloze gezicht. Zijn leven kon beginnen en de engel vloog door het raam, de wijde wereld in.

donderdag 12 augustus 2010

Autoramadan

Hier zat ik dan, gestrand op een domein van één hectare in la Douce France. De Peugeot Cabrio had het nog maar eens begeven. Er zijn slechtere plekken in de wereld om vast te komen te zitten. Ik zat hier al eens vast, toen de Eyjafjallajökull een boer liet en ons Europees luchtruim werd afgesloten. Spijt had ik er niet van. Ik moest tenminste niet gaan werken. Ik probeer de gedachte aan mijn werk te verbannen, want dat zit me hoog en al een lange tijd. Daarom dat ik begon te schrijven. Ook daarmee had ik al veel moeite in het verleden, de jaloezie en de engdenkenden waarmee ik tijdens een schooljaar word geconfronteerd is verschrikkelijk. Ook de gedachte dat ik in een land woon waar tsjeverij doordrenkt zit in de maatschappij, doet me kokhalzen. De menige bospoepende pastoor werd al doorgelicht in het nieuws in Vlaanderen de afgelopen maanden. Om nog maar te zwijgen over het onderwijsleven die gerund word door nonnen met kapjes op. Hun zwarte of blauwe kapjes zijn duivel voorspellend in mijn ogen. Ze getuigen van een niet zo fraaie levensvisie, waarbij ze hun kapjes gebruiken om met de mantel der liefde onfrisse zaakjes te verdoezelen. Het zijn de meest geveinsde maffiosibazen, waar the Godfather nog een poepje aan kan ruiken. Nu goed, ik trap alweer op mensen hun tenen allicht terwijl ik dit schrijf, maar ik trek het me niet aan. Ik ben nogal een voorstander om mensen in eigenwaarde te laten en de vrijheid van meningsuiting werd me maar al te vaak de mond gesnoerd in het verleden. Gelukkig leven we niet meer in de Middeleeuwen, hoewel ik moet toegeven dat toen ik een bezoekje bracht aan Jeruzalem vier jaar geleden, ik daar niet zo zeker van was.
Soit, de auto heeft het dus nog maar eens begeven en nu kan ik niet om eten. Gelukkig heb ik goeie buren, een automechanieker dan nog wel en een Zwitserse. Over de laksheid van de Provençalen, daar schreef Peter Mayle al menige boeken over. De auto is twee dagen binnen en ik hoop maar dat de vuile handen van de plaatstelijke garagist hem eens goed onder handen neemt, dat mag ie van me. Intussen moet ik dus nog maar eens geduld uitoefenen (ik haat geduld, dat is voor mensen die teveel tijd hebben), alvorens ik de stad in kan om inkopen te doen. Als die sufferd me niet kan helpen, zal ik hem eens onder handen nemen.
Intussentijd breek ik nog maar eens een eitje en geniet ik van films op MGM, gelukkig doet de tv het nog. Gisteren was mijn chat monddood, paranoia als ik ben, dacht ik al dat Facebook werd geleid door Islamieten, want gisteren begon de Ramadan. Vreemd soms hoor, als je even volledig op jezelf bent aangewezen. Je leert terug op een andere manier naar de dingen kijken. Ik besefte gisterenavond zelfs hoe Tom Hanks zich voelde in Cast Away, nog even en ik maak mezelf een Mr. Wilson, hoewel ik nog twijfel in welk materiaal ik die best maak. Ik heb geen bal.
Gisterenavond keek ik naar 'Lijmen/Het Been', de verfilming van Elsschots' boek met Mike Verdrengh en Koen de Bauw als Boorman en Laarmans. Schitterend hoe Alphons de Ridder het in die tijd al had over 'gebakken lucht'. De marketingprincipes dralen nog altijd rond hetzelfde. Ook de betekenis 'het been stijf houden', kreeg een heel andere bijklank in mijn gedachten.
En zo gaat dus nog maar eens een dag voorbij, in het land van melk en honing, waar de lavendel nog steeds heerlijk ruikt, de vogeltjes fluiten en de krekels hun lied zingen. Er hing een vers stokbrood aan mijn poort deze ochtend, ik voelde me zowaar echt verwend en begin al goed te wennen aan het idee om hier voorgoed te komen wonen. Ik wil niet terug naar België. Ik wil niet terug het gevoel, me elke dag naar mijn werk te moeten sleuren gewoon om geld te verdienen. Maar ik werk eraan, ik werk eraan. Er komt een dag, waarbij ik wakker word en glimlach naar alle dingen die op mijn weg komen. Er komt een dag waarbij ik zal overdonderen met wilde verhalen, of ben ik daar al mee bezig? Paniekerig roep ik al lang niet meer naar Mr. Wilson en ook de auto hoef ik niet echt. Het is goed zoals het is. Vanavond zijn er vallende sterren. Hier zijn elke avond vallende sterren. Ik blijf wachten, de temperatuur spreekt al langer van Duizend en één Nachten.

woensdag 11 augustus 2010

Medaillon

Het was al vijfendertig jaar geleden dat haar man was gestorven. Ze leefde in een Zuid-Frans dorpje die een honderdtal inwonders telde en ging elke dag een wandeling maken in de okerkleurige rotsen in het dal van het dorp. Ze herinnerde haar nog goed hoe ze vanuit Toscane naar Marseille was afgereisd toen ze achttien was en ze geen woord Frans kon praten. Ze leerde hem kennen op een Bal-musette begin jaren vijftig. Hij was piloot bij het leger, ze werden verliefd en vestigden zich nabij St-Christol zodat hij dagelijks proefvluchten kon maken voor het Franse leger. Ze stond er alleen voor toen haar man haar op achtendertigjarige leeftijd alleen achter liet met drie kinderen. Het had haar meer rimpels gegeven ronddom haar mond, maar haar glimlach was er niet minder door geworden.
In het dorp noemde iedereen haar Madame Bertolli, omdat ze zo leek weggelopen uit de reclame van de Italiaanse pastasauzen. Ze droeg een gebloemd jurkje, met zelfgebreide poncho en espadrilles.

Nu, had ze een gouden medaillon rond haar nek hangen, met daarin de foto van haar man en langs de andere kant een foto van Jezus. Die medaillon droeg ze dicht bij haar hart. Ze had wat met foto's. In haar cabanne stond dezelfde foto uit het medaillon, die met haar al eens wat had gedaan. Haar man stond erop met zijn militair pak aan. Het was een mooie man, hij leek op Frank Sinatra in zijn jonge jaren en hield een sigaar in zijn rechterhand. Telkens ze die foto bekeek, leek het alsof hij haar gedachten kon horen en zij de zijne. Ze dwaalde al verschillende keren rond op nachtelijke uren waarbij ze de slaap niet kon vatten en had al ellenlange conversaties met de foto gevoerd. Haar hart lag in die foto. Op een dag betrapte ze haarzelf erop dat het voeren van nachtelijke gesprekken met een foto misschien wel niet zo gezond was. Ze nam de foto van haar schouw, wikkelde hem in een lokaal krantpapiertje en gaf hem mee met haar oudste dochter. Maar toen ze de was ophing, toen ze haar Provençaalse wandelingen maakte naar le boulanger of l'épicerie, toen ze de vaat deed in haar kleine teil, telkens, sprong het medaillon van haar ketting. Zelfs toen ze naar de stad was geraakt en haar medaillon wou laten herstellen bij de juwelier, zelfs toen, net bij het binnenkomen van de winkel, lag de gouden medaillon op het bordes. Ze vertelde tegen de juwelier, dat haar medaillon in de wasmachine was terecht gekomen en dat de oude foto in kleine katoenbolletjes uit elkaar was gewassen. De juwelier bekeek het goudgele ding met een loep, haalde er een poetsdoekje over en zuchtte langzaam.

'En alles gaat goed met u, Madamme Bertolli?'
Ze glimlachtte uitbundig en pulkte wat met een draadje dat loshing aan de punt van haar poncho.
'Ik heb wat slaapproblemen de laatste tijd, ach ja, mijn hart is nooit meer hetzelfde sedert -mon mari- me heeft verlaten. Het is maar dat zijn foto me zo nauw aan het hart lag en dat vervelende ding de hele tijd zoek raakt. Gelukkig zie ik het altijd op tijd en vind ik het terug.'
'Een hart dat weg is, is altijd moeilijk terug te vinden, Madame,' vezelde hij.
Ze glimlachtte en zocht haar portefeuille in haar handgeweven mand.
Ze keek even rond en staarde naar de oude wandklok die vier uur sloeg. De juwelier nam een kartonnen doosje uit de la en stak haar medaillon erin. Hij prevelde dat ze hem niet hoefde te betalen, maar zei:
'Ik hoop dat u hart nu bij u blijft.'
Ik hoop het ook, zei ze in zichzelf en ging de winkel uit. Ze wandelde terug naar haar dorp en pauzeerde even langs de kant van de weg. Een vliegtuig vloog over de Colorado. Ze zwaaide naar het vliegtuig, maar het vliegtuig zwaaide niet terug. Het maakte een hels lawaai, het duurde maar heel even. Terwijl Madame Bertolli het doosje opende en het goudgele ding achterliet, daar op het bankje, waar ze even had uitgerust. De foto was er toch uit verdwenen en veel had ze er niet aan. Ze ging naar huis en maakte een verse pizza. En 's avonds toen ze in haar bed lag en staarde naar het plafond, prevelde ze een schietgebedje, opdat haar man, haar horen kon.

dinsdag 10 augustus 2010

Starf**ker

Ze schreef boeken en was nogal gekend in Nederland. Daar verkocht ze van haar eerste boek anderhalf miljoen exemplaren. Ze schreef thrillers en had een vlotte pen. Ze was jong, mooi en de helft van de Nederlandse huisvaders aanzagen haar als dé madame om een one-night-stand mee te beleven. Ze had een blogsite, schreef wekelijks een column voor de krant en had een account op een sociale netwerksite.
Op een dag onmoette ze daar een kerel van vijftig jaar, die de hele dag niks anders deed dan muziekfilmpjes te posten van youtube. Zonder aarzelen voegde ze wekelijks wel eens mensen toe, het waren haar lezers, het was haar publiek waarvoor ze schreef. Maar die kerel van vijftig jaar bleek een echte starfucker te zijn, iemand die op bekenden valt omdat ze sterren zijn in wat ze doen. Op zijn profielfoto's stonden niks anders dan foto's met Bekende Nederlanders: André Hazes, Goran, Thomas Berger, Linda De Mol, Wendy Van Dijk, Yolanthe Cabau Van Kasbergen, Gerard Joling en Giel Beelen. Zij kende Giel goed. Ze kwamen elkaar al eens tegen op feetjes in Pardisio of op het Spui. Amsterdam was haar stad, waar ze woonde, kookte, haar gezin onderhield en schreef.
Tijdens de zomermaanden hield ze ervan om naar Ibiza te gaan, waar menig Nederlanders hun winterhuid verruilden en onder de Spaanse zon cava genoten. Dagelijks schreef ze enkele uurtjes en hield ze contact met haar uitgever en vrienden via haar sociale netwerksite. Op een nachtelijke zomerse avond, terwijl haar man en kinderen al in bed lagen, begon de celbrityneuker haar te chatten. Ze vroeg zich af wie hij was en hij stelde zich voor als een of andere stationmanager bij een bekende Nederlandse radiozender. Hij was geïnteresseerd of ze niet een programma kon presenteren. Hij was heel brutaal en zei haar dat hij gek van haar was. Hij vertelde haar dat Giel hem had gebeld en dat hij dat aan zijn goeie vriend Giel had verteld, 'dat zijn hart elke dag naar Ibiza vloog'. Giel had geantwoord dat hij een nummertje mocht trekken, dat de helft van Nederland wel gek van haar liep. Ze was natuurlijk heel ad rem en schreef meteen terug:
'Ok kerel, nu moet je oprotten, dat kan niet wat je zegt, je geeft me 'the creeps', nog ff en ik zwier je er hier uit.'
Hij vroeg haar waarom hij dat niet mocht zeggen. Ze had eerder nogal eens nare ervaringen gehad met mannen die haar benaderden via internet. Haar exvriendje stalkte haar al een keer, ze schreef er zelfs een boek over.
Ze was altijd heel trouw en integer, kon professionneel heel goed omgaan met zo'n voorstellen en lag allang niet wakker meer van waardeloze voorstellen en oninteressante mensen. Dus blokkeerde ze de kerel, sloot ze haar account af en ging slapen. Ze kroop bij haar man tussen de lakens en kuste hem wakker. Hij vroeg haar wat er scheelde en ze vertelde in enkele zinnen haar verhaal.
'Ach joh, laat die oelewappers links liggen,' maar hij glimlachtte en voegde eraan toe: 'Je bent een hype schat en ik mag nog wel naast je liggen.'
Ze vreeën en vielen beiden in slaap. De volgende ochtend dacht ze nog even na over de starfucker, dat ze normaal altijd wel vriendelijk bleef en genoeg afstand bewaarde. Maar ze gaf er niet om, het gaf haar inspiratie om verder te schrijven. Ze moest immers een column schrijven, met als thema 'hoe de moderne man een vrouw verleidt vandaag de dag'. Alleszins niet via internet, spookte het door haar hoofd. Ze zou ook haar vrouwelijke lezers in haar column ervan overtuigen het aantal voyeuristische gekken dat op sociale netwerksites surft, te blokkeren en te deleten uit hun leven. Ze kreeg een rilling over haar rug toen ze een mailtje kreeg van een vriendin met daarin een soortgelijk verhaal van dezelfde starfucker. Internetoorlog, schreef ze terug. Het laatste restje verval van deze moderne maatschappij kwam ook aan de oppervlakte van de zee. Maar zij was de zee en gelukkig was de zee diep genoeg om te surfen.